GESCHIEDENIS

In Nederland hebben mensen zoals
Anna Maria van Schurman of Elisabeth Rijberg zich beziggehouden met knipselkunst. Werk van Schurmans hand is te bekijken in het Stedelijk museum 't Coopmanhûs in Franeker. De waarde van een knipselwerk in de 17e eeuw was aanzienlijk. Zo betaalde keizer Leopold van Oostenrijk 4000 gulden voor een fijn knipselwerk van Johanna Koerten-Blok. Dit was een ongekend bedrag, vergeleken met de 1600 gulden die Rembrandt met moeite kreeg voor zijn schilderij de Nachtwacht. Ook Goethe en Schiller hebben meer dan eens een portret geknipt. Een historisch overzicht van Nederlandse papierknipkunstenaars is te vinden in het Nederlands Knipperslexicon. (Wikipedia)

Vereniging (Wikimedia)
Sinds 1983 heeft Nederland een Vereniging voor papierknipkunst[3] met een stabiel aantal leden van rond de 400. Deze vereniging organiseert elk voorjaar een landelijke contactdag in een ander deel van het land. Het blad dat de leden viermaal per jaar ontvangen heet Knip-Pers. In 2013 kreeg de vereniging het recht om het Unesco-logo te dragen, omdat papierknippen een ambacht is dat met meerdere ambachten geplaatst is op de Nationale Inventaris van Immaterieel Erfgoed. (Wikipedia)

Musea 
Het Museum van Papierknipkunst bevindt zich in Westerbork (Drenthe). Daarnaast zijn er nog diverse kleine initiatieven van particulieren zoals in Baarn. In Vreden in Duitsland, vlak over de grens bij Winterswijk, is een museum[5] opgericht door een verzamelaar. Tot 2006 was er in Schoonhoven het Nederlands Museum voor Knipkunst, de collectie is overgenomen door het
Westfries Museum in Hoorn.(Wikimedia)

Veel kennis van de Nederlandse papierknipkunst is te danken aan het echtpaar Joke en Jan Peter Verhave.
Moet de papierknipkunst worden geschaard onder kunst met een grote K? Het echtpaar Verhave gaf daar een antwoord op. Zij zagen er de waarde van in, de waarde van een uniek stuk nationaal erfgoed, dat dreigde in totale vergetelheid te geraken.
Zij zijn begonnen zich te verdiepen in de historie van de knipkunst en met het verzamelen ervan.
Het zoeken naar gegevens over de makers van een werkstuk was en is vaak een moeizame en langdurige kwestie.
Knipwerk is in de meeste gevallen niet gesigneerd, waardoor van veel knipkunst de maker en de herkomst niet bekend zijn.
In eerste instantie konden alleen rijke burgers zich het gebruik van papier veroorloven. In de ‘Gouden Eeuw’, vooral in de periode 1650-1700, was er veel ruimte voor kunstenaars, ook voor knipkunstenaars.
Doordat van belangrijke families uit die tijd veel is bewaard gebleven, is daar nogal eens informatie te vinden over een knipwerk en de maker.
In veel gevallen moesten Joke en Jan Peter Verhave met minimale gegevens aan de slag, om uiteindelijk
toch het een en het ander aan de weet te komen.
In meerdere publicaties en in vijf boekwerken hebben zij hun kennis vastgelegd. (Tekst Jan Lever)